ECLI:NL:RBDHA:2021:12602
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser, met de Bengalese nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning voor studie ingetrokken omdat hij onvoldoende studiepunten behaalde en sinds 31 augustus 2019 niet meer studeerde aan een erkende onderwijsinstelling. Hij voerde aan dat de intrekking een discretionaire bevoegdheid is en dat verweerder een belangenafweging had moeten maken, waarbij zijn persoonlijke omstandigheden en snelle inschrijving bij een niet-erkende onderwijsinstelling meegewogen hadden moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de verblijfsvergunning introk op grond van artikel 18 lid 1 onder Pro f, in samenhang met artikel 19 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser niet meer voldeed aan het verblijfsdoel studie. De persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn inschrijving bij een niet-erkende onderwijsinstelling konden niet leiden tot het achterwege laten van de intrekking.
Verder werd geoordeeld dat verweerder terecht van het horen in bezwaar afzag, aangezien op voorhand duidelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning studie wordt ongegrond verklaard.