Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische nationaliteit bezittende asielzoeker, diende op 24 april 2021 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit werd bevestigd door Eurodac-gegevens waaruit bleek dat eiser illegaal via Italië de EU-buitengrens was binnengekomen.
Eiser voerde aan dat Italië tekortkomingen vertoont in de asielprocedure en opvangvoorzieningen, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt. Hij verwees naar recente rapporten die problemen in Italië aantoonden, zoals beperkte opvangplekken en moeilijkheden voor Dublinterugkeerders.
De rechtbank oordeelde dat ondanks deze problemen, er geen sprake is van structurele, aan het systeem gerelateerde tekortkomingen die Italië verhinderen zijn internationale verplichtingen na te komen. Dit oordeel is in lijn met eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Eiser had bovendien geen eigen ervaring met de Italiaanse asielprocedure, omdat hij daar geen asielverzoek had ingediend.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het beroep ongegrond is. Er is geen sprake van een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.