ECLI:NL:RBDHA:2021:12288
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing concurrentiebeding en toewijzing nakoming in kort geding
In deze zaak staat de geldigheid en naleving van een concurrentiebeding centraal tussen een voormalig werknemer en zijn voormalige werkgever in de makelaardij.
De werknemer, na langdurige arbeidsongeschiktheid, is als zelfstandig taxateur gaan werken binnen het oude werkgebied, wat volgens de werkgever een overtreding van het concurrentiebeding inhoudt. De werknemer stelt dat het concurrentiebeding niet meer van kracht is vanwege functiewijziging en onbillijke benadeling.
De rechtbank oordeelt dat het concurrentiebeding geldig is gebleven omdat de functiewijziging naar makelaar/taxateur voorzienbaar was en het beding bij de vaststellingsovereenkomst opnieuw is bevestigd met een uitzondering voor NWWI-taxaties. De werkzaamheden van de werknemer bij het andere makelaarskantoor zijn geen NWWI-taxaties en vormen een overtreding.
De vordering tot schorsing van het concurrentiebeding wordt afgewezen omdat de werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onbillijk wordt benadeeld. De werkgever krijgt wel gelijk in de vordering tot nakoming van het concurrentiebeding en het opleggen van een dwangsom, maar de gevorderde boetes worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid.
De proceskosten worden in conventie aan de werknemer opgelegd en in reconventie gecompenseerd.
Uitkomst: De schorsing van het concurrentiebeding wordt afgewezen, maar de vordering tot nakoming van het concurrentiebeding wordt toegewezen met oplegging van een dwangsom.