Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser 1] , eiser I, V-nummer: [V-nummer 1]
,V-nummer: [V-nummer 4]
Rechtbank Den Haag
Eisers, allen met de Syrische nationaliteit, vroegen op 13 februari 2020 een visum voor kort verblijf aan met als doel familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden onvoldoende waren aangetoond en het niet vaststond dat eisers Nederland tijdig zouden verlaten. Vervolgens werd het bezwaar van eisers tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard vanwege de tijdelijke reisbeperkingen door de corona-pandemie.
Eisers voerden aan dat de minister niet inhoudelijk op hun bezwaren was ingegaan, dat het primaire besluit daardoor formele rechtskracht kreeg en dat zij niet waren gehoord. Ook wezen zij op versoepeling van het inreisverbod vanaf 15 mei 2021, waardoor zij wel onder uitzonderingscategorieën zouden vallen.
De rechtbank oordeelde dat eisers niet betwist hadden dat zij een mogelijke bedreiging voor de volksgezondheid vormden en dat het coronavirus als epidemische ziekte kwalificeert. Aangezien zij niet tot de uitzonderingscategorieën behoorden, was de afwijzing op grond van het gevaar voor de volksgezondheid terecht en rechtmatig. Het latere versoepelen van reisbeperkingen na het bestreden besluit is niet relevant. Ook was een hoorzitting niet verplicht omdat deze niet tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak is definitief en er is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wegens gevaar voor de volksgezondheid is ongegrond verklaard.