ECLI:NL:RBDHA:2021:10949
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens procedureel rechtmatig verblijf tijdens terugkeerprocedure
Eiseres diende bezwaar in tegen een terugkeerbesluit en een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument, waardoor zij procedureel rechtmatig verblijf in Nederland had tot aan haar vertrek naar Marokko op 17 januari 2021.
De rechtbank oordeelt dat de vertrektermijn uit het terugkeerbesluit niet is aangevangen zolang de bezwaar- en aanvraagprocedures liepen, waardoor eiseres niet in strijd handelde door niet binnen de termijn te vertrekken.
Verweerder had ten onrechte een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten.
De rechtbank bevestigt dat de in absentia-procedure rechtmatig is en dat het feit dat eiseres zich buiten de EU bevond bij oplegging van het inreisverbod dit niet verhindert, maar stelt dat dit niet leidt tot een rechtsgeldige oplegging van het inreisverbod gezien het procedureel rechtmatig verblijf.
De uitspraak benadrukt het belang van het respecteren van procedureel rechtmatig verblijf in terugkeerprocedures en voorkomt tegenstrijdige situaties waarbij een vreemdeling formeel rechtmatig verblijft maar toch een inreisverbod wordt opgelegd.
Uitkomst: Het opgelegde inreisverbod wordt vernietigd omdat eiseres procedureel rechtmatig verblijf had en de vertrektermijn niet is aangevangen.