ECLI:NL:RBDHA:2021:10943
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van aanvraag verblijfsvergunning wegens niet-voldoen aan mvv-vereiste en intrekking Nederlanderschap
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar zus, maar deze werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Haar Nederlanderschap was met terugwerkende kracht ingetrokken wegens het gebruik van een valse identiteit en een niet-bestaande familierechtelijke relatie met haar zus, wat ook een beletsel vormde voor het verlenen van een verblijfsvergunning.
De rechtbank overweegt dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, omdat de aanvraag niet binnen de redelijke termijn van twee jaar na het einde van het rechtmatig verblijf is ingediend en omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.82 van het Vreemdelingenbesluit. Daarnaast is geen sprake van een beschermenswaardig gezinsleven tussen eiseres en haar zus, omdat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat.
Hoewel eiseres een privéleven in Nederland heeft, weegt het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder. De rechtbank oordeelt dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt en dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. De hoorplicht is niet geschonden omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens niet voldoen aan het mvv-vereiste en het ontbreken van beschermenswaardig gezinsleven.