ECLI:NL:RBDHA:2021:10627

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
29 september 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 585
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.9 Besluit inburgeringArt. 6:162 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen boete en terugvordering lening inburgering

Eiser kreeg een boete van €100 opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht en werd verplicht een lening van €7.420,21 terug te betalen met een maandelijkse aflossing van €61,84. Eiser stelde dat de lening onterecht niet was kwijtgescholden en dat het terugvorderen disproportioneel was gezien zijn financiële situatie op bijstandsniveau.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen de boete niet-ontvankelijk was omdat het te laat was ingediend. De vaststelling dat de lening niet ambtshalve is kwijtgescholden is volgens vaste rechtspraak bindend. Eiser betwistte de hoogte van de lening niet en voerde onvoldoende argumenten aan om het evenredigheidsbeginsel te laten prevaleren.

Hoewel eiser inmiddels aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, was dit niet binnen de gestelde termijn. De rechtbank wees erop dat eiser een draagkrachtmeting kan aanvragen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de boete en terugvordering lening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/585

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Zennipman),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.C. Rots).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 100,-, omdat hij niet op tijd is ingeburgerd en bepaald dat eiser het voor de inburgering geleende geld moet terugbetalen.
Bij besluit van 19 februari 2020 (het primaire besluit 2) heeft verweerder bepaald dat de schuld die eiser moet terugbetalen € 7.420,21 bedraagt en dat het te betalen maandbedrag € 61,84 is.
Bij besluit van 17 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard voor zover het bezwaar zich richt tegen het niet kwijtschelden van de schuld en ongegrond verklaard voor zover het bezwaar zich richt tegen de vaststelling van de hoogte van de schuld en het te betalen maandbedrag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is inburgeringsplichting. Hij diende aanvankelijk vóór 8 juni 2018 ingeburgerd te zijn. Deze termijn is later verlengd tot en met 12 oktober 2018. Bij besluit van 23 september 2015 is eiser een lening toegekend om het inburgeringstraject te kunnen betalen. Eiser hoefde de lening niet terug te betalen, indien hij op tijd aan de inburgeringsverplichting zou voldoen.
Eiser heeft deze termijn niet gehaald. Op 17 januari 2020 heeft eiser het laatste examenonderdeel, Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt, gehaald.
Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder bepaald dat eiser het geleende geld moet terug betalen, wanneer hij klaar is met het inburgeren.
Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder bepaald dat het bedrag dat eiser moet terug betalen € 7.420,21 is en dat het aflossingsbedrag € 61,84 per maand is.
Deze zaak gaat over de vraag of eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het niet kwijt schelden van de schuld en over de vraag of verweerder de betalingsverplichting juist heeft vastgesteld.
Wat vindt eiser?
2. Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte de lening niet heeft kwijtgescholden. Aan de bestreden beschikking kleeft een motiveringsgebrek.
Eiser stelt dat hij inmiddels alle onderdelen van het inburgeringsexamen heeft gehaald. Het terugvorderen van de lening is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het belang van eiser dient zwaarder te wegen dan het belang van verweerder, dat te verwaarlozen is. Voor eiser is het terug te betalen bedrag hoog. Hij leeft op minimum niveau, namelijk op bijstandsniveau. Met de draagkracht van eiser is onvoldoende rekening gehouden. Dit is disproportioneel en in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Eiser heeft in zijn beroepschrift erkend dat het bezwaar tegen het primaire besluit 1 te laat is ingediend. Verweerder heeft dit bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. In dit primaire besluit 1 heeft verweerder ook, naast de opgelegde boete, beslist dat eiser de lening moet terug betalen, wanneer hij klaar is met inburgeren.
Volgens vaste rechtspraak [1] staat daarmee in rechte vast dat verweerder de schuld niet ambtshalve geheel heeft kwijtgescholden.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit 2 de omvang van de terugbetalingsverplichting en het maandbedrag dat eiser moet betalen vastgesteld. Voor zover eisers bezwaar tegen het bestreden besluit 2 zich richt tegen het niet kwijtschelden van de schuld, heeft verweerder dit bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat de lening niet geheel is kwijtgescholden staat immers, zoals hiervoor onder 3. overwogen, in rechte vast. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan een beoordeling van de vraag of verweerder de lening had moeten kwijtschelden.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de omvang van de lening niet heeft betwist. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser geen argumenten heeft aangevoerd die maken dat de terugvordering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Weliswaar heeft eiser inmiddels aan zijn inburgeringsverplichting voldaan, maar hij heeft dit niet gedaan binnen de daarvoor gestelde termijn.
Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij het maandelijkse bedrag van de aflossing niet kan betalen. De rechtbank wijst erop dat verweerder in het verweerschrift terecht heeft aangegeven dat eiser alsnog een verzoek om een draagkrachtmeting als bedoeld in artikel 4.9 van het Besluit inburgering kan indienen.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 april 2021 ECLI:NL:RVS:2021:714.