Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Afghaanse nationaliteit houdende vader van meerdere in Nederland verblijvende kinderen, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als gezinslid. Verweerder wees deze aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en handhaafde een inreisverbod van twee jaar. Eiser stelde dat hij en zijn kinderen ten onrechte niet zijn gehoord in bezwaar, wat volgens hem noodzakelijk was vanwege de persoonlijke en emotionele banden die onder artikel 8 EVRM Pro vallen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onterecht heeft afgezien van het horen van eiser en diens kinderen in bezwaar. Volgens vaste rechtspraak en de Werkinstructie 2019/16 moet in dergelijke gevallen wel worden gehoord, tenzij op voorhand duidelijk is dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit was hier niet het geval, mede omdat eiser verklaringen van zijn kinderen en hun moeder had overgelegd.
Het inreisverbod werd tijdens de procedure ingetrokken, maar de rechtbank stelde dat verweerder eerst het horen moet verrichten om het bezwaar adequaat te kunnen beoordelen. Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en gaf verweerder drie maanden de tijd om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.496, wegens het niet naleven van de hoorverplichting in bezwaar.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens het niet horen in bezwaar.