ECLI:NL:RBDHA:2021:10207
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsdocument en opheffing inreisverbod voor vader met Chavez-verblijfsrecht
Eiser, een Guinese nationaliteit dragende vader van twee Nederlandse kinderen, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet en om opheffing van een inreisverbod. De staatssecretaris weigerde dit en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelt dat eiser zijn identiteit en nationaliteit reeds voldoende is vastgesteld door de civiele rechter en dat de staatssecretaris ten onrechte dit vereiste opnieuw stelde.
De rechtbank volgt de criteria uit het arrest Chavez-Vilchez, waarbij een derdelander-familielid van een Unieburger een afgeleid verblijfsrecht kan verkrijgen indien weigering van verblijf zou leiden tot gedwongen vertrek van het kind uit de EU. De rechtbank stelt vast dat eiser daadwerkelijke zorgtaken verricht en dat de afhankelijkheidsrelatie met zijn kinderen is erkend.
Omdat het inreisverbod gebaseerd is op de Terugkeerrichtlijn die alleen op derdelanders van toepassing is, moet het inreisverbod worden opgeheven indien het verblijfsrecht wordt erkend. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en het primaire besluit, beveelt afgifte van het verblijfsdocument en opheffing van het inreisverbod, en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank besluit zelf in de zaak te voorzien vanwege het belang van de kinderen en de onaanvaardbare onzekerheid over het verblijf van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter W. Anker en griffier A.S. Hamans.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en bepaalt dat eiser recht heeft op het verblijfsdocument en het inreisverbod wordt opgeheven.