Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres](eiseres),
[eiser 2](eiser), mede namens de minderjarige
[minderjarige],
Rechtbank Den Haag
Eisers, houders van de Azerbeidzjaanse nationaliteit, kregen op 3 juli 2020 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd om te verblijven in de gemeente Amersfoort. Tegen deze besluiten werd op 7 juli 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had op dezelfde dag een voorlopige voorziening getroffen waardoor eisers niet werden uitgezet en opvang ontvingen.
Naar aanleiding van deze voorlopige voorziening trok de Staatssecretaris op 8 juli 2020 de opgelegde maatregelen in. Vervolgens trokken eisers hun beroep op 20 juli 2020 in en verzochten de rechtbank om proceskostenveroordeling van de Staatssecretaris.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van tegemoetkomen omdat de intrekking van het besluit plaatsvond vanwege de door eisers aangevoerde beroepsgrond. Daarom veroordeelde de rechtbank de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €525,- aan de rechtsbijstandverlener. De uitspraak werd gedaan door rechter C. Karman op 23 juli 2020 en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €525,- aan proceskosten wegens intrekking van de vrijheidsbeperkende maatregel.