ECLI:NL:RBDHA:2020:8476
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen staandehouding en ophouding op grond van Vreemdelingenwet
Eiser werd op 30 juni 2020 aangehouden wegens overtreding van artikel 447E Sr nadat hij werd betrapt op het stuk slaan van asbestplaten zonder geldig legitimatiebewijs te kunnen tonen. Later die dag werd hij opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de staandehouding een verkapte vreemdelingenrechtelijke maatregel was en dat er geen strafrechtelijke grondslag bestond voor zijn aanhouding.
De rechtbank stelde vast dat de verbalisanten een niet vreemdelingenrechtelijke aanleiding hadden om eiser om zijn legitimatie te vragen en dat de aanhouding strafrechtelijk was gerechtvaardigd. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de situatie in Spanje, ondanks de coronacrisis, geen beletsel vormde voor de ophouding en het onderzoek naar het verblijf van eiser. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter C. Karman en griffier A. Vranken, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de staandehouding en ophouding wordt ongegrond verklaard.