Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter zitting
2.De vordering
3.Beoordeling van de vordering
alhaar geld afstond, namelijk van februari 2014 tot en met februari 2015. Deze periode is wezenlijk korter dan de bewezen verklaarde periode en doet recht aan de omstandigheden van het geval en aan de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij aan het begin haar geld nog wel zag, maar dat dit steeds minder werd. De rechtbank ziet in het dossier geen andere aanknopingspunten die zouden moeten maken dat vanaf februari 2014 niet al het geld doorvloeide naar de veroordeelde. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.
4.Financiële omstandigheden veroordeelde
5.Korting in verband met overschrijding van de redelijke termijn
6.Conclusie
7.Het toepasselijke wetsartikel
8.Beslissing
€ 59.026,58aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;