ECLI:NL:RBDHA:2020:7955

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2020
Publicatiedatum
20 augustus 2020
Zaaknummer
NL20.11155
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat volgens de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname bij Duitsland ingediend, dat werd geaccepteerd.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting, die samen met een andere zaak werd behandeld, was eiser niet aanwezig. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank kreeg bericht dat eiser op 19 juni 2020 met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan dat eiser pas een maand na het besluit was vertrokken en dat het beroep inhoudelijk behandeld moest worden, maar dat zij niet bij de zitting aanwezig zouden zijn.

De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een vreemdeling die zonder bekendmaking van verblijfplaats vertrekt in principe geen prijs stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. Dit geldt tenzij de gemachtigde kan aantonen dat er nog contact is en dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft. Omdat uit het dossier niet bleek dat de gemachtigde nog contact had met eiser of wist waar hij verbleef, concludeerde de rechtbank dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer had bij de beoordeling van zijn beroep.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Eversteijn, in aanwezigheid van griffier A. Vranken. Vanwege coronamaatregelen vond de uitspraak niet in een openbare zitting plaats, maar kan deze later alsnog openbaar worden uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11155
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Drenth), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.11156, plaatsgevonden op 7 juli 2020. Eiser is, met kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1992] .
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Verweerder heeft de rechtbank op 2 juli 2020 via een bericht in het digitale dossier medegedeeld dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft gemeld dat eiser op 19 juni 2020 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 6 juli 2020 per bericht in het digitale dossier laten weten dat eiser pas een maand na het bestreden besluit is vertrokken en het beroep daarom inhoudelijk moet worden behandeld. Daarbij heeft gemachtigde van eiser ook vermeld dat eiser en hij niet ter zitting zullen verschijnen.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) blijkt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit gegaan moet worden dat die vreemdeling geen prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op het verzoek. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.1
5. De rechtbank leidt uit het bericht van 6 juli 2020 niet af dat gemachtigde nog contact met eiser heeft gehad, dat hij weet of eiser nog in Nederland verblijft of waar hij verblijft. Onder deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming en dus geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Gelet op de vaste rechtspraak van de ABRvS is het niet relevant dat eiser pas na het bestreden besluit van 22 mei 2020 met onbekende bestemming is vertrokken.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
1Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579).
13 juli 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.