ECLI:NL:RBDHA:2020:7855

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2020
Publicatiedatum
18 augustus 2020
Zaaknummer
NL20.5616
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55b AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig besluit asielaanvraag en dwangsom oplegging

Eiseres heeft op 14 april 2019 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft aanvankelijk een overnameverzoek aan Frankrijk gedaan, dat werd geaccepteerd, maar trok dit later in en verleende eiseres een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden vanwege aangifte mensenhandel.

Eiseres stelde beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. De rechtbank constateerde dat de beslistermijn van zes maanden was verstreken en dat de ingebrekestelling van 10 februari 2020 rechtsgeldig was. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was.

De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen, in ieder geval binnen zestien weken na de uitspraak. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €262,50.

De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Janse van Mantgem en griffier S.L.L. van den Akker, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld binnen zes weken.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, dwangsom opgelegd en termijn gesteld voor eerste gehoor en besluit op asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.5616

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [#]
mede namens haar minderjarige dochter,
[dochter],
(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 14 april 2019 heeft eiseres in Nederland een asielaanvraag gedaan.
Op 21 mei 2019 heeft verweerder Frankrijk verzocht eiseres over te nemen op grond van de Dublinverordening. Frankrijk heeft op 31 mei 2019 dit verzoek geaccepteerd.
Op 27 mei 2019 heeft eiseres aangifte gedaan van mensenhandel. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiseres een verblijfsvergunning verleend onder de beperking als genoemd in B8 Vreemdelingencirculaire 2000, met ingang van 27 mei 2019, geldig tot 27 mei 2020.
Bij brief van 3 juni 2019 heeft verweerder de Franse autoriteiten bericht dat het overnameverzoek wordt ingetrokken en dat eiseres op tijdelijk humanitaire gronden (mensenhandel) in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning.
Bij brief van 3 juni 2019 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij is opgenomen in de Algemene Asielprocedure.
Eiseres heeft op 30 maart 2020 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 14 april 2019.
Verweerder heeft op 14 mei 2020 een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 20 mei 2020 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de zaak tot nader bericht wordt aangehouden omdat besluitvorming nog niet kan plaatsvinden door omstandigheden die samenhangen met de coronamaatregelen. Na versoepeling van de coronamaatregelen heeft de rechtbank de behandeling van de zaak hervat. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn organisatie aan te passen aan de maatregelen die thans nog gelden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.
3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
4. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
5. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn.
6. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
In artikel 42, zesde lid, Vw is bepaald dat indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt Pro onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 niet Pro in behandeling dient te worden genomen, vangt de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
7. Verweerder heeft op 27 mei 2019 aan eiseres een verblijfsvergunning verstrekt voor bepaalde tijd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder vanaf dat moment verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat betekent dat verweerder op grond van artikel 42, zesde lid, Vw uiterlijk op 26 november 2019 op de aanvraag had moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is verstreken.
8. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres verweerder bij brief van 10 februari 2020 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
9. De rechtbank is met verweerder van mening dat het beroep terecht is ingediend omdat de wettelijke beslistermijn is verstreken en de ingebrekestelling van 10 februari 2020 geldig is.
10. Het beroep is kennelijk gegrond.
11. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Volgens het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
12. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat eiseres thans nog niet in de gelegenheid is gesteld haar asielaanvraag te onderbouwen. Een eerste en nader gehoor hebben nog niet plaatsgevonden.
13. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) zal de rechtbank, nu sprake is van een situatie waarin de asielaanvrager nog niet is gehoord en rekening houdend met de naleving van andere wettelijke voorschriften, bepalen dat verweerder binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit op de aanvraag moet bekendmaken, in ieder geval binnen zestien weken na deze uitspraak.
14. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
15. Voorts is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 262,50 (1 punt, wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een eerste gehoor af te nemen en binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval binnen zestien weken na deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 7.500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.