ECLI:NL:RBDHA:2020:7665

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 augustus 2020
Publicatiedatum
12 augustus 2020
Zaaknummer
NL20.11224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 Algemene wet bestuursrechtVerordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en coronavirusrisico

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende op 11 februari 2020 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot overname aan België gedaan, dat door België was aanvaard.

Eiser voerde aan dat overdracht aan België vanwege de zware coronabesmettingen aldaar een verhoogd besmettingsrisico inhoudt, en stelde dat er sprake is van détournement de pouvoir omdat verweerder bij visumaanvragen wel een inreisverbod hanteert. De rechtbank overwoog dat de huidige onmogelijkheid tot overdracht een tijdelijk feitelijk beletsel is, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en dat dit de vaststelling van België als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig maakt.

De rechtbank vond dat eiser het verhoogde besmettingsrisico niet aannemelijk had gemaakt en dat er geen sprake was van détournement de pouvoir. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.11224

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 11 februari 2020 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [1] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om overname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat België zwaar getroffen is door de uitbraak van het coronavirus en dat overdracht aan België een verhoogd risico op besmetting met zich meebrengt. Er is volgens eiser geen sprake van een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel, maar van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Er is sprake van détournement de pouvoir, omdat verweerder stelt dat er alsnog een overdracht kan plaatsvinden als het tijdelijke beletsel is opgeheven. Anders dan in deze Dublinprocedure, gaat verweerder bij visumaanvragen wel uit van een inreisverbod.
4. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 april 2020 [2] volgt dat de omstandigheid dat de overdracht op dit moment niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit maakt de vaststelling van België als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen. Dat eiser door overdracht naar België een verhoogd risico op besmetting loopt aldaar heeft hij niet aannemelijk gemaakt of onderbouwd. Van détournement de pouvoir is, gezien voornoemde uitspraak van de Afdeling, geen sprake.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013