ECLI:NL:RBDHA:2020:7591
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens mvv-vereiste en belangenafweging
Eiseres, een Servische vrouw, verzocht om een verblijfsvergunning als gezinslid op grond van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder wees dit af omdat zij geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had en niet voor vrijstelling in aanmerking kwam. Tevens legde verweerder een terugkeerbesluit op.
Eiseres betoogde onder meer dat het middelenvereiste haar niet mocht worden tegengeworpen, dat haar partner langdurig arbeidsongeschikt is en een bijstandsuitkering ontvangt, en dat zij psychische klachten heeft die terugkeer naar Servië belemmeren. Ook stelde zij dat zij gescheiden zou worden van haar minderjarige kind en dat het graf van haar levenloos geboren kind in Nederland ligt.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht een belangenafweging heeft gemaakt waarbij het beroep op de publieke kas en het ontbreken van een mvv-vergunning zwaar wogen. Psychische klachten van eiseres en haar partner vormden geen objectieve belemmering voor terugkeer, mede omdat behandeling in Servië mogelijk is en er een sociaal netwerk aanwezig is. Het feit dat het levenloos geboren kind in Nederland is begraven, rechtvaardigt geen vrijstelling van het mvv-vereiste.
De rechtbank concludeerde dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen en het besluit zorgvuldig heeft gemotiveerd. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.