ECLI:NL:RBDHA:2020:7547
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming bij Dublinprocedure
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
Tijdens de zitting, gehouden via Skype, is eiser niet verschenen en heeft zijn gemachtigde bericht van verhindering gegeven. Verweerder heeft gemeld dat eiser sinds 22 juni 2020 met onbekende bestemming is vertrokken zonder zijn verblijfplaats bekend te maken. De rechtbank concludeert hieruit dat eiser geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland.
Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt aangenomen dat het ontbreken van contact tussen eiser en zijn gemachtigde en het vertrek met onbekende bestemming betekent dat er geen rechtens te beschermen belang meer is bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door rechter L.M. Reijnierse en griffier A.M. Zwijnenberg op 13 juli 2020.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de procedure.