ECLI:NL:RBDHA:2020:7465
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering verblijfsvergunning op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard
Eiser, met Eritrese nationaliteit, vroeg asiel aan in Luxemburg en later in Nederland. De Nederlandse staatssecretaris weigerde de aanvraag te behandelen omdat Luxemburg volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Eiser stelde minderjarig te zijn, maar had in Luxemburg een hogere leeftijd opgegeven om eerder te mogen werken. De rechtbank oordeelde dat de leeftijdsschouw en lichamelijke kenmerken twijfel over minderjarigheid rechtvaardigen en dat eiser onvoldoende bewijs leverde om de geregistreerde meerderjarige leeftijd in Luxemburg te betwisten.
De rechtbank overwoog dat een doopakte geen identificerend document is en dat eiser geen andere bewijsstukken overlegde. Ook de verklaring van eiser over zijn leeftijdsopgave in Luxemburg was onvoldoende. De rechtbank volgde de vaste jurisprudentie dat de registratie in een andere lidstaat uitgangspunt is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze onjuist is.
Verder erkende de rechtbank dat door het coronavirus tijdelijk geen overdrachten naar Luxemburg plaatsvinden, maar dit vormt slechts een tijdelijk feitelijk beletsel en maakt de vaststelling van Luxemburg als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig. Eiser had geen onderbouwing voor gezondheidsrisico’s bij overdracht gegeven.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J. Catsburg op 7 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.