ECLI:NL:RBDHA:2020:7369
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-afname gegrond wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden bij valsheid in geschrifte
De veroordeelde werd op 12 september 2019 veroordeeld voor valsheid in geschrifte en kreeg een taakstraf opgelegd. Op bevel van de officier van justitie werd celmateriaal afgenomen voor DNA-onderzoek, waartegen de veroordeelde bezwaar maakte. Zij stelde dat DNA-onderzoek niet proportioneel is bij valsheid in geschrifte en dat er geen sprake is van recidivegevaar vanwege de specifieke context van het delict.
De rechtbank nam kennis van het dossier en hoorde partijen. De officier van justitie vond het bezwaar ongegrond omdat de uitzonderingen in de Wet DNA niet van toepassing zijn en recidive niet kan worden uitgesloten. De rechtbank oordeelde echter dat de aard van het delict en de bijzondere persoonlijke omstandigheden, waaronder een echtscheiding en acute financiële problemen, maken dat het DNA-onderzoek niet van betekenis zal zijn voor toekomstige opsporing.
De rechtbank concludeerde dat er sprake is van de uitzonderingssituatie in artikel 2 lid 1 sub b van Pro de Wet DNA en verklaarde het bezwaar gegrond. De officier van justitie werd bevolen het celmateriaal te vernietigen. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M. Boogers op 4 augustus 2020.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname wordt gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.