Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mr. L.E.G van der Hut naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
3.Het oordeel van de rechtbank
‘Ik riep met luide stem naar hem dat hij was aangehouden, zijn handen moest spreiden, zich om moest draaien en tegen de gevel moest gaan staan’kan worden bewezen dat de verdachte die opzettelijk in strijd met de waarheid in het (mede) door hem opgemaakte proces-verbaal van aanhouding heeft vastgelegd. Van de overige ten laste gelegde zinnen kan dat niet worden vastgesteld, zodat de verdachte van die onderdelen dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat het door de verdachte toegepaste geweld niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.
‘Ik duwde met mijn rechterhand tegen zijn borst en duwde hem in de richting van de gevel achter hem’en
‘Ik zag en voelde dat hij wild met zijn armen om zich heen sloeg/bewoog’op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat die in strijd zijn met de waarheid, aangezien uit de camerabeelden het tegendeel blijkt. Subsidiair, indien de rechtbank één of meer zinnen wel in strijd met de waarheid acht, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte niet opzettelijk onjuistheden in zijn proces-verbaal heeft vermeld. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het door de verdachte toegepaste geweld, tot het aanwenden waarvan hij als politieagent bevoegd was, passend en geboden was en derhalve rechtmatig, zodat vrijspraak dient te volgen.
rechtmatigheeft toegepast. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechtbank eerst stilstaan bij het toepasselijke wettelijk kader. Vervolgens zal zij vaststellen wat er van het incident op de camerabeelden is waar te nemen, wat de verdachte daarover heeft verklaard en wat overigens op grond van het dossier is gebleken. Daarna zal de rechtbank aan de hand van het wettelijk kader de tenlastegelegde geweldshandelingen bespreken, te weten:
‘Ik wil hem nu zien’, dat [benadeelde partij] zegt:
‘Relax’,en dat de verdachte zegt:
‘Meneer, je bent bij dezen aangehouden’.
‘Ik duwde met mijn rechterhand tegen zijn borst en duwde hem in de richting van de gevel achter hem. Ik voelde en zag dat [benadeelde partij] mijn hand met kracht weg duwde. Hierop pakte ik [benadeelde partij] bij zijn keel vast en duwde hem met kracht tegen de gevel achter hem.’en
‘Ik zag en voelde dat hij wild met zijn armen om zich heen sloeg/bewoog’feitelijk onjuist zijn. De verdachte zal daarom van die onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Ik riep met luide stem naar hem dat hij was aangehouden, zijn handen moest spreiden, zich om moest draaien en tegen de gevel moest gaan staan’en
‘Ik riep met luide stem dat hij geen verzet moest plegen en dat hij zich moest omdraaien’overweegt de rechtbank als volgt.
‘Ik wil hem nu zien’, waarmee hij onmiskenbaar doelt op het identiteitsbewijs van [benadeelde partij] . Het is niet logisch dat de verdachte dit tegen
‘Meneer, je bent bij dezen aangehouden’. De rechtbank stelt dus vast dat het proces-verbaal van aanhouding in zoverre feitelijk onjuist is.