Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag
Eiser diende op 19 oktober 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam niet tijdig een besluit, waarop eiser op 15 juni 2020 beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen. Verweerder erkende de overschrijding en voerde aan dat de coronapandemie een overmachtssituatie vormde waardoor beslissingen tijdelijk niet mogelijk waren.
De rechtbank volgde dit standpunt voor de periode van 16 maart tot 16 mei 2020, maar oordeelde dat verweerder de beslistermijn had kunnen verlengen om het verbeuren van een dwangsom te voorkomen. Het niet verlengen van de termijn kwam voor eigen rekening van verweerder. De maximale bestuurlijke dwangsom van €1.442,- was daarom verbeurd.
Gezien de capaciteitsproblemen en de coronacrisis stelde de rechtbank een afwijkende beslistermijn van zestien weken na uitspraak vast, met een dwangsom van €100,- per dag bij overschrijding, tot een maximum van €7.500,-.
De rechtbank veroordeelde verweerder tevens in de proceskosten van eiser en bepaalde dat binnen de gestelde termijn alsnog een besluit moet worden genomen. De uitspraak werd gedaan door rechter A.P. Hameete en griffier R. Groeneveld, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van een dwangsom en het binnen zestien weken nemen van een besluit.