ECLI:NL:RBDHA:2020:6767
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugshandel
Verweerder, de waarnemend burgemeester van Den Haag, besloot op grond van artikel 13b van de Opiumwet een woning te sluiten voor zes maanden vanwege de vondst van een handelshoeveelheid harddrugs en drugshandelattributen bij een doorzoeking op 11 maart 2020. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening tegen deze sluiting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder bevoegd was om de woning te sluiten, omdat de aangetroffen hoeveelheden MDMA en cocaïne ruim boven de grens van 0,5 gram lagen en er sterke aanwijzingen waren dat de woning een schakel in de drugshandel vormde. De aanwezigheid van een wapen en munitie, evenals verpakkingsmateriaal en weegschalen, ondersteunden dit vermoeden.
Verzoeker voerde aan dat de drugs voor eigen gebruik waren en dat het aangetroffen wapen een niet-strafbaar BB-gun was. Dit verweer werd verworpen, mede omdat de bestuursrechtelijke bevoegdheid tot sluiting losstaat van strafrechtelijke vervolging en vrijspraak. Ook de gevolgen van de sluiting in het kader van het coronavirus en de beschikbaarheid van alternatieve opvang werden door verweerder voldoende gemotiveerd.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de sluiting noodzakelijk en evenredig was ter bescherming van het woon- en leefklimaat en de openbare orde. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.