ECLI:NL:RBDHA:2020:6717
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende bestaansmiddelen en belangenafweging
Eiser, een Poolse gemeenschapsonderdaan, is in 2015 naar Nederland gekomen en was eigenaar van een eenmanszaak van november 2015 tot februari 2017. Daarna ontving hij een uitkering op grond van de Participatiewet tot september 2018. Verweerder stelde bij besluit vast dat eiser nooit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had omdat hij niet voldeed aan de vereisten van artikel 8.12 Vb 2000, mede doordat hij onvoldoende bestaansmiddelen had en geen arbeid in loondienst of als zelfstandige verrichtte.
Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verblijf had door zijn zelfstandige werkzaamheden en later als werkzoekende, en dat zijn vrouw inmiddels rechtmatig verblijf had en arbeid verrichtte. Verweerder handhaafde het standpunt dat eiser geen rechtmatig verblijf had en dat er een belangenafweging was gemaakt waarbij het belang van de Nederlandse staat zwaarder woog.
De rechtbank beoordeelde het bestreden besluit ex tunc, keek naar de situatie ten tijde van het besluit en oordeelde dat verweerder op goede gronden had vastgesteld dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De rechtbank vond dat de belangenafweging rechtmatig was en dat het standpunt van verweerder stand hield. De latere situatie van de partner van eiser was niet relevant voor het besluit.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M. van Nooijen en griffier I.N. Powell, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had, blijft in stand.