ECLI:NL:RBDHA:2020:5857
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan bewijs bij beschuldiging van afpersing en diefstal met geweld
Op 25 juni 2020 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van afpersing en diefstal met geweld op 28 februari 2020. De officier van justitie stelde dat verdachte en een medeverdachte onder bedreiging met messen de benadeelde hadden gedwongen tot afgifte van pinpas, pincode en geldopnames. De verdediging ontkende deze feiten en stelde dat de aangever betrokken was bij criminele activiteiten en dat de verklaring van de aangever niet betrouwbaar was.
De rechtbank heeft het bewijs grondig onderzocht, waaronder verklaringen van aangever, verdachte en medeverdachte, chatberichten, geluidsfragmenten en aangetroffen messen en geldbedragen. Hoewel de officier van justitie het bewijs overtuigend achtte, vond de rechtbank het alternatieve scenario van de verdediging niet onaannemelijk en concludeerde dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar waren om wettig en overtuigend bewijs te vormen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. Tevens werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat de strafrechtelijke feiten niet bewezen zijn. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij tot betaling van de kosten van de verdediging van verdachte, begroot op nul euro.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.