ECLI:NL:RBDHA:2020:5806
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek met onbekende bestemming in vreemdelingenzaak
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 9 maart 2020 werd afgewezen als ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 25 juni 2020 bleek dat eiser sinds 31 maart 2020 met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank stelde ambtshalve vast dat eiser geen procesbelang meer had bij de behandeling van het beroep, aangezien hij geen contact meer onderhield met zijn gemachtigde en niet had laten weten dat hij nog prijs stelde op bescherming in Nederland.
Op basis van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank reeds op het beroep had beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang doordat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.