Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Het procesverloop
2.De feiten
hiermee zowel het bestuurderschap als de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te laten eindigen. (…)”
Rechtbank Den Haag
De eiser trad in 2010 in dienst als operationeel directeur en werd in 2011 statutair bestuurder van de vennootschap. Op 18 november 2019 besloot de algemene vergadering van aandeelhouders tot zijn ontslag als bestuurder en beëindiging van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang. De eiser verzocht bij de rechtbank om toekenning van een billijke vergoeding en nakoming van pensioenverplichtingen.
De rechtbank oordeelde dat het ontslagbesluit van 18 november 2019 tevens het einde van de arbeidsovereenkomst betekende, waardoor het verzoek tot billijke vergoeding uiterlijk 19 januari 2020 had moeten worden ingediend. Het verzoekschrift werd echter pas op 17 februari 2020 ontvangen, waardoor de eiser niet-ontvankelijk werd verklaard.
Ten aanzien van de pensioenverplichtingen stelde de eiser dat de werkgever tekort was geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. De rechtbank stelde vast dat de eiser verplicht deelnam aan het bedrijfstakpensioenfonds VLEP, waardoor zijn pensioenaanspraken niet afhankelijk zijn van premiebetaling door de werkgever. De vorderingen tot nakoming en schadevergoeding werden daarom afgewezen.
De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten, aangezien partijen deels in het ongelijk werden gesteld. De beschikking werd uitgesproken door rechter C.W.D. Bom op 5 juni 2020.
Uitkomst: Verzoek tot billijke vergoeding niet-ontvankelijk verklaard en pensioenvorderingen afgewezen; partijen dragen eigen proceskosten.