ECLI:NL:RBDHA:2020:4064
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek MVV voor minderjarige Eritrese met broer in Nederland na belangenafweging
Eiseres, een minderjarige met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in Nederland om bij haar broer, die hier een asielvergunning heeft, te verblijven. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen wegens ontbrekende documenten, waaronder toestemmingsverklaringen van haar biologische ouders en medische verklaringen.
Na bezwaar en hoorzitting handhaafde de staatssecretaris het besluit, waarbij werd aangenomen dat eiseres onvoldoende bewijs leverde van haar identiteit en dat het belang van de Nederlandse staat bij handhaving van het vreemdelingenbeleid zwaarder woog dan het belang van eiseres bij gezinsleven met haar broer. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van toestemmingsverklaringen terecht werd verlangd gezien haar minderjarigheid, maar dat dit niet doorslaggevend mocht zijn omdat verweerder eiseres niet de gelegenheid gaf dit nader te onderbouwen.
De rechtbank beoordeelde de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro en concludeerde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met het gezinsleven en de minderjarigheid van eiseres. Er was geen objectieve belemmering aangetoond voor het gezinsleven buiten Nederland, bijvoorbeeld in Ethiopië waar eiseres sinds 2016 verblijft. Ook de financiële situatie van de broer en het ontbreken van binding met Nederland speelden een rol.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres dat verweerder onvoldoende oog had voor haar minderjarigheid en asielgerelateerde aspecten. Het beroep werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de MVV-aanvraag is ongegrond verklaard.