Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2020 in de zaak tussen
geboren op [1983] , van Zuid-Koreaanse nationaliteit, eiser/verzoeker,
),
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Zuid-Koreaanse nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit verzoek werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Eiser maakte bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de procedure informeerde de gemachtigde van eiser de rechtbank dat eiser Nederland had verlaten en teruggekeerd was naar Zuid-Korea, zonder contact met zijn partner en dochter. De rechtbank concludeerde dat eiser daardoor geen procesbelang meer had bij de beoordeling van het beroep, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank besloot daarom het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Tevens wees zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, met toestemming van partijen, en vanwege coronamaatregelen niet openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vertrek van eiser uit Nederland.