ECLI:NL:RBDHA:2020:3661
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toevoeging voor verzet tegen heffing griffierecht in cassatieprocedure
Eiser vroeg op 1 mei 2019 een toevoeging aan voor een cassatieprocedure omtrent een schuldsaneringsregeling, welke werd toegekend. Vervolgens vroeg eiser op 15 mei 2019 een aparte toevoeging aan voor verzet tegen de heffing van het griffierecht in diezelfde cassatiezaak, welke werd afgewezen door verweerder wegens ontbreken van een zwaarwegend belang.
Verweerder stelde dat het verzet tegen het griffierecht onderdeel is van hetzelfde rechtsbelang als de hoofdzaak en dat de werkzaamheden onder de reeds toegekende toevoeging vallen. Eiser voerde aan dat het verzet een zelfstandige procedure betreft met een ander rechtsmiddel en andere partijen, waardoor een aparte toevoeging gerechtvaardigd is.
De rechtbank oordeelt dat beide procedures nauw met elkaar samenhangen en dat het verzet geen zelfstandig rechtsbelang vormt, mede omdat beide procedures bij de Hoge Raad worden behandeld. De eerdere jurisprudentie bevestigt dat bij één rechtsbelang doorgaans één toevoeging volstaat, tenzij sprake is van behandeling in meerdere instanties, wat hier niet het geval is.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn op 14 april 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de toevoeging voor verzet tegen de heffing van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.