ECLI:NL:RBDHA:2020:3583
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet afgewezen
Eiser, een Congolese vreemdeling, stelde beroep in tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank behandelde de zaak schriftelijk en via telefonische hoorzitting van de gemachtigden vanwege de coronamaatregelen.
Eiser voerde aan dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name vanwege zijn medische situatie en het ontbreken van adequaat contact met zijn gemachtigde. De rechtbank concludeerde dat eiser geen medische omstandigheden had aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigden en dat de faciliteiten in het detentiecentrum toereikend zijn. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het contact tussen gemachtigde en eiser, hoewel lastig, technisch mogelijk is.
Verder stelde eiser dat het ontbreken van zicht op uitzetting vanwege de coronapandemie de maatregel onrechtmatig maakte. De rechtbank volgde dit niet en verwees naar jurisprudentie dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor inbewaringstelling op deze grondslag. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.