ECLI:NL:RBDHA:2020:3544
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning mensenhandel wegens beëindiging strafrechtelijk onderzoek
Eiseres, een vrouw van Ugandese nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel. Na beëindiging van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek door de officier van justitie op 10 mei 2019, werd haar aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen en haar verblijfsvergunning ingetrokken.
Eiseres voerde aan zwaar getraumatiseerd te zijn en stelde dat de belangenafweging onvoldoende was gemaakt, mede omdat een beklagprocedure nog liep. De rechtbank oordeelde dat de intrekking rechtmatig was omdat de wettelijke voorwaarde voor verlening van de vergunning, namelijk het lopende strafrechtelijk onderzoek, niet meer aanwezig was. De beklagprocedure gaf geen verblijfsrecht en mocht niet worden afgewacht.
Verder stelde eiseres dat zij gehoord had moeten worden in de bezwaarprocedure, maar de rechtbank vond geen schending van de hoorplicht omdat het bezwaar geen aanleiding gaf tot een ander besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.