ECLI:NL:RBDHA:2020:3179
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM ongegrond verklaard
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, verzocht op 3 september 2018 om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro vanwege familieleven met zijn minderjarige dochter in Nederland. Verweerder wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie niet was aangetoond. Het bezwaar werd ongegrond verklaard met de overweging dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitviel.
Eiser voerde aan dat er geen eerlijke belangenafweging ('fair balance') was gemaakt en dat het gezinsleven buiten Nederland niet mogelijk is vanwege de geworteldheid van zijn gezin in Nederland. Verweerder stelde dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Letland en dat het gezinsleven daar of in Afghanistan uitgeoefend kan worden. De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante feiten heeft betrokken en dat het weigeren van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro.
Daarnaast stelde eiser dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met het belang van zijn minderjarige dochters, verwijzend naar het IVRK en het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechtbank oordeelde dat verweerder zich voldoende rekenschap had gegeven van de belangen van de kinderen en dat het beroep ongegrond is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard.