ECLI:NL:RBDHA:2020:2832
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing afwaardering vordering op dga wegens onvoldoende bewijs oninbaarheid
X B.V. had twee vorderingen op haar directeur-grootaandeelhouder (dga) met een totale nominale waarde van ruim €3,8 miljoen per 31 december 2013. In de aangifte vennootschapsbelasting 2014 nam X B.V. een afwaardering van deze vorderingen als buitengewone lasten op, stellende dat de dga niet in staat was de lening terug te betalen.
De Belastingdienst corrigeerde deze afwaardering en stelde de aanslag vast zonder deze post. X B.V. stelde beroep in tegen deze correctie. De rechtbank onderzocht of X B.V. aannemelijk had gemaakt dat de vordering (gedeeltelijk) oninbaar was, waarbij werd gekeken naar de vermogens- en inkomenspositie van de dga en de mogelijkheid van dividenduitkeringen.
De rechtbank oordeelde dat X B.V. onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om een lagere waarde dan de nominale waarde te rechtvaardigen. De dga had in de jaren 2014-2017 een stijgend inkomen en X B.V. beschikte over een aanzienlijke winstreserve, waardoor dividenduitkering mogelijk was. Ook eerdere afspraken en uitspraken over de financiële draagkracht van de dga boden geen voldoende grond voor afwaardering.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de afwaardering af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep van X B.V. wordt ongegrond verklaard en de afwaardering van de vordering op de dga wordt afgewezen.