ECLI:NL:RBDHA:2020:2544
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring wegens onvoldoende zicht op uitzetting
Eiser, met Algerijnse nationaliteit, was in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste of sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 20 januari 2020 de maatregel nog rechtmatig was.
Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting was, mede omdat hij eerder langdurig in bewaring had gezeten zonder uitzetting en vanwege de coronamaatregelen die vluchten naar Marokko en Algerije belemmeren. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en verifieerbare inspanningen heeft verricht om de benodigde documenten voor uitzetting te verkrijgen, ondanks zijn medewerking aan presentaties bij de vertegenwoordigingen. Verweerder heeft het verzoek om afgifte van een laissez-passer in onderzoek en houdt regelmatig contact met de autoriteiten.
De rechtbank stelde vast dat de coronamaatregelen tijdelijk zijn en dat er geen reden is om te veronderstellen dat het zicht op uitzetting blijvend ontbreekt. Eiser kan de maatregel bekorten door volledige medewerking te verlenen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.