Eiseres, een Amerikaanse cruisevaartmaatschappij, kreeg een boete opgelegd van €992.000 omdat zij 124 vreemdelingen van de zogenoemde riding teams werkzaamheden liet verrichten op een cruiseschip in een droogdok te Rotterdam zonder te beschikken over tewerkstellingsvergunningen. De rechtbank beoordeelde of de uitzondering van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (BuWav) van toepassing was.
De rechtbank stelde vast dat de vreemdelingen voldeden aan de letterlijke tekst van de uitzondering: zij hadden hun hoofdverblijf buiten Nederland, geen arbeidsovereenkomst met een in Nederland gevestigde werkgever, en verrichtten uitsluitend arbeid op een buiten Nederland geregistreerd vervoermiddel in het internationale verkeer, namelijk het cruiseschip. De rechtbank oordeelde dat het cruiseschip, ondanks dat het in een droogdok lag voor onderhoud, niet zijn kwalificatie als vervoermiddel in het internationale verkeer verloor.
De boeteoplegging was gebaseerd op een uitleg van de uitzondering die niet blijkt uit de tekst of toelichting van het BuWav en was daarmee in strijd met het lex-certa-beginsel. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalde dat de boete komt te vervallen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.