ECLI:NL:RBDHA:2020:2349
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen DNA-afname minderjarige wegens bijzondere omstandigheden
De minderjarige veroordeelde werd op 11 juli 2019 door de kinderrechter veroordeeld voor het bezit van vuurwerk en kreeg een geldboete en een voorwaardelijke werkstraf opgelegd. Op 20 augustus 2019 werd door de officier van justitie de afname van celmateriaal bevolen voor DNA-onderzoek, welke op 24 september 2019 plaatsvond. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze DNA-afname op grond van disproportionaliteit en het geringe recidiverisico.
De rechtbank behandelde het bezwaar op 14 januari 2020 en nam kennis van het strafdossier. De verdediging voerde aan dat de DNA-afname disproportioneel is, mede gelet op het geringe recidiverisico en het gelijkheidsbeginsel, en verwees naar jurisprudentie en een voornemen tot wetswijziging. De officier van justitie stelde dat niet op toekomstige wetgeving geanticipeerd kan worden en dat de wet strikt moet worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de Wet DNA een uitzonderingsgrond kent waarbij geen DNA-onderzoek hoeft plaats te vinden als dit niet van betekenis is voor opsporing of vervolging, en dat deze uitzonderingsgrond ook geldt voor minderjarigen. Gelet op de leeftijd van de veroordeelde, het blanco strafblad en het karakter van het misdrijf als een eenmalige jeugdzonde, achtte de rechtbank toepassing van deze uitzonderingsgrond passend. Het bezwaar werd daarom gegrond verklaard en de officier van justitie werd bevolen het celmateriaal te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname wordt gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.