ECLI:NL:RBDHA:2020:2211
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteitsbewijs en familieband
Eiseres, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo, verzocht via haar broer, een uitgenodigde vluchteling, om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid. De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres haar identiteit niet aannemelijk had gemaakt, waardoor ook de familierechtelijke relatie niet kon worden vastgesteld.
Eiseres voerde aan dat haar verklaring over het ontbreken van haar identiteitskaart voldoende specifiek was en dat zij indicatieve documenten had overgelegd. De rechtbank oordeelde echter dat deze documenten onvoldoende waren, omdat zij kopieën betroffen en gebaseerd waren op eigen verklaringen van eiseres. Ook was de verklaring over het verlies van de identiteitskaart onvoldoende concreet.
De rechtbank stelde vast dat het bezwaar te laat was ingediend, maar achtte de termijnoverschrijding verschoonbaar en behandelde het beroep inhoudelijk. De hoorplicht werd niet geschonden omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
Gezien het ontbreken van aannemelijk gemaakte identiteit en familieband werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag mvv wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en familieband.