ECLI:NL:RBDHA:2020:1839
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens ernstige bedreiging openbare orde
Eiser, sinds 1987 in Nederland en houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, kreeg deze vergunning ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd vanwege ernstige strafbare feiten en een gevaar voor de openbare orde. Verweerder baseerde dit op meerdere veroordelingen, waaronder medeplegen van doodslag en drugshandel, met een totale gevangenisstraf van 218 maanden.
Eiser voerde aan dat de intrekking onterecht was getoetst aan het nationale recht en dat de Unierechtelijke toets had moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat de nationale toets passend was en dat de Unierechtelijke toets correct was toegepast bij het inreisverbod. Ook stelde eiser dat hij positieve gedragsverandering had getoond, maar verweerder motiveerde voldoende dat dit niet het geval was.
Verder voerde eiser aan dat de maatregelen in strijd waren met artikel 8 EVRM Pro (recht op privéleven). De rechtbank vond dat verweerder alle relevante omstandigheden had meegewogen en dat de inmenging gerechtvaardigd was gezien de ernst van de feiten en het gevaar voor de samenleving.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de verblijfsvergunning had ingetrokken en het inreisverbod had opgelegd, en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.