Eiser, werkzaam bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, kreeg per 22 oktober 2018 de loonbetaling stopgezet wegens het niet aanvragen van een WIA-uitkering, gevolgd door ontslag per 8 november 2018. De rechtbank oordeelt dat eiser op dat moment medisch gezien niet in staat was zijn werk te hervatten en dat verweerder toestemming moest geven voor werkhervatting. Verweerder handhaafde de stopzetting van loonbetaling maar herroept het ontslagbesluit.
Eiser stelde dat hij wel arbeidsgeschikt was en dat het ontslag onrechtmatig was, maar de rechtbank volgt de commissie die oordeelde dat het ontslag disproportioneel was. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat verweerder op goede gronden de loonbetaling stopzette. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat de immateriële schade het gevolg was van het ontslagbesluit en omdat vergoeding van advocaatkosten op grond van de Awb niet mogelijk is.
De rechtbank benadrukt dat eiser niet verplicht was eerst schadevergoeding bij verweerder te vragen en dat hij direct naar de rechter kon stappen. De uitspraak bevestigt dat het bestuursorgaan terecht handelde binnen de wettelijke kaders en dat het beroep ongegrond is verklaard.