ECLI:NL:RBDHA:2020:15225
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht
Verzoekers hadden bezwaar gemaakt tegen een voorgenomen feitelijke overdracht naar Duitsland en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Nadat de overdracht werd geannuleerd, trokken zij hun verzoek in en verzochten zij om een proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de annulering van de overdracht niet het gevolg is van het verzoek om voorlopige voorziening, maar van de door verzoekers ingediende herhaalde asielaanvragen. De argumenten in het verzoekschrift, waaronder een beroep op artikel 8 EVRM Pro, waren onvoldoende specifiek om de overdracht te annuleren.
Op basis van artikel 8:83 en Pro 8:84 Awb kan proceskostenvergoeding alleen worden toegekend als het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen op de gronden van het verzoek. Dit is hier niet het geval, omdat de annulering op andere gronden plaatsvond.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de annulering van de overdracht niet het gevolg is van het verzoek om voorlopige voorziening.