ECLI:NL:RBDHA:2020:14793
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Inreisverbod van één jaar wegens overschrijding Schengenvisumperiode met meer dan drie dagen
Eiseres, afkomstig uit China, kreeg een inreisverbod van één jaar opgelegd omdat zij de toegestane verblijfsduur van haar Schengenvisum met 51 dagen had overschreden. De kern van het geschil betrof de interpretatie van een paspoortstempel uit Londen, waarbij de rechtbank oordeelde dat dit een inreisstempel van Franse autoriteiten was, wat leidde tot de conclusie dat eiseres langer in het Schengengebied verbleef dan zij zelf aannam.
Eiseres voerde aan dat het inreisverbod onevenredig was vanwege haar zakelijke belangen als kunstenares en haar relatie met een Belgische partner, die volgens haar onder artikel 8 EVRM Pro viel. De rechtbank stelde echter vast dat de relatie te kort bestond om van familieleven te spreken en dat zakelijke belangen onvoldoende concreet waren onderbouwd om het inreisverbod te weerleggen.
De rechtbank bevestigde dat het inreisverbod ex tunc wordt getoetst, waardoor latere omstandigheden zoals de voortzetting van de relatie niet relevant zijn. Ook achtte de rechtbank de duur van het inreisverbod proportioneel en in overeenstemming met de Vreemdelingenwet en de Terugkeerrichtlijn.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat eiseres voldoende gelegenheid had gehad om haar zienswijze naar voren te brengen en dat het besluit zorgvuldig was genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het inreisverbod bleef van kracht.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod van één jaar wegens overschrijding van de Schengenvisumperiode is ongegrond verklaard.