ECLI:NL:RBDHA:2020:14684
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening voor verblijfsvergunning regulier wegens ontbreken mvv en verplaatsing hoofdverblijf
Verzoekster, een Thaise nationaliteit houdende vrouw die sinds 1995 in Nederland verblijft, vroeg een verblijfsvergunning regulier aan als gezinslid bij haar partner. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), een vereiste voor verstrekking van de vergunning. Verzoekster betoogde dat zij vrijstelling van het mvv-vereiste zou moeten krijgen omdat zij haar hoofdverblijf niet buiten Nederland had verplaatst.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht aannemen dat verzoekster haar hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd, mede op basis van de eerdere intrekking van haar vergunning en haar uitschrijving uit de Basisregistratie Personen gedurende drie jaar. De stukken die verzoekster overlegde, waaronder verklaringen en foto’s, boden onvoldoende bewijs dat zij gedurende die periode in Nederland verbleef.
Verder werd geoordeeld dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat verzoekster onvoldoende onderbouwde dat zij ingeburgerd is, dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven tijdelijk in Thailand te voeren, of dat zij en haar partner voldoende inkomen hebben. De hardheidsclausule werd niet toegepast, ondanks de coronamaatregelen en code oranje voor Thailand.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uitvalt. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een verblijfsvergunning regulier wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige mvv en de verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland.