ECLI:NL:RBDHA:2020:14650

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 september 2020
Publicatiedatum
29 april 2021
Zaaknummer
NL20.16671
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) 604/2013Art. 29, eerste lid, Verordening (EU) 604/2013Verordening (EG) 343/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing tweede asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland volgens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tweede asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De reden was dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening (EU) 604/2013. Eerder was eiser al overgedragen aan Duitsland, via Noorwegen, binnen de overdrachtstermijn.

De rechtbank oordeelt dat de overdracht aan Duitsland binnen de wettelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat de tussenkomst van Noorwegen als tussenlidstaat geen invloed heeft op de verantwoordelijkheid van Duitsland. Het beroep van eiser op een eerdere uitspraak over de Chain Rule wordt verworpen omdat de feiten verschillen: in deze zaak is de overdracht daadwerkelijk uitgevoerd.

Daarom is de afwijzing van de tweede asielaanvraag door de Nederlandse overheid terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de tweede asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16671
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken).
Procesverloop
Bij besluit van 8 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.16672, plaatsgevonden op 22 september 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro die wet niet in behandeling genomen, indien op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening III) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Verweerder heeft eisers eerste asielaanvraag van 14 augustus 2018 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Duitsland heeft de claim op 5 september 2018 geaccepteerd. Eisers beroep hiertegen is ongegrond verklaard bij uitspraak van 5 december 2018.1 Op 8 februari 2019 heeft verweerder de Duitse autoriteiten medegedeeld dat de overdracht niet kon plaatsvinden omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Hiermee is de uiterste

1.NL18.21793.

overdrachtsdatum verlengd tot en met 5 maart 2020. Op 30 januari 2020 hebben de Noorse autoriteiten een claimverzoek ingediend bij Nederland. Dit verzoek is afgewezen omdat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is. Vervolgens hebben de Noorse autoriteiten eiser op 21 februari 2020 overgedragen aan Duitsland. Op 26 februari 2020 hebben de Duitse autoriteiten Nederland geïnformeerd dat eiser in Duitsland is. Eiser heeft op 22 juli 2020 zijn tweede asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft ook deze aanvraag afgewezen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3. Eiser voert aan dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van zijn asielaanvraag, omdat verweerder hem niet voor de uiterste overdrachtstermijn van 5 maart 2020 heeft overgedragen aan Duitsland. De tweede asielaanvraag van eiser is na die datum ingediend en had verweerder dus inhoudelijk moeten behandelen. Eiser doet in dit verband een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 juli 2020.2 In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de zogeheten Chain Rule onder Dublin III niet van toepassing is. Onder Dublin II3 hield de Chain Rule in dat de overdrachtstermijn herstart als de asielzoeker met onbekende bestemming is vertrokken en binnen de dan geldende 18 maanden overdrachtstermijn in een andere lidstaat asiel aanvraagt.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 juli 2020 niet slaagt. Zoals verweerder terecht stelt is geen sprake van een vergelijkbare zaak. In de zaak van zittingsplaats ‘s- Hertogenbosch is de vreemdeling tussen zijn eerste en tweede asielaanvraag in Nederland nooit overgedragen aan de verantwoordelijk lidstaat (Italië). In de onderhavige zaak is dit wel het geval. Eiser is namelijk voor het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum op 5 maart 2020 overgedragen aan Duitsland. Dat eiser door Noorwegen is overgedragen aan Duitsland maakt gelet op artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening III geen verschil. Uit dit artikel volgt dat ook een andere lidstaat, in dit geval Noorwegen, dan de verzoekende lidstaat (Nederland) de verantwoordelijke lidstaat (Duitsland) een verzoek kan doen om de betrokkene over of terug te nemen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de overdracht van eiser aan de verantwoordelijke lidstaat binnen de overdrachtstermijn heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers tweede asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.ECLI:NL:RBDHA:2020:7831.

3 Verordening (EG) 343/2003.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is gedaan op:
25 september 2020
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.