ECLI:NL:RBDHA:2020:14482
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel en opleggen inreisverbod na veroordeling voor doodslag
Eiser, met de Azerbeidzjaanse nationaliteit, kreeg in 2019 zijn verblijfsvergunning asiel ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2017 en een inreisverbod van tien jaar opgelegd nadat hij onherroepelijk veroordeeld was tot 12 jaar gevangenisstraf voor doodslag en mishandeling gepleegd in 2017.
Verweerder stelde dat het gedrag van eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de samenleving, wat de intrekking en het inreisverbod rechtvaardigt. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn positieve gedragsverandering en dat het beleid niet bijdraagt aan bescherming van de samenleving.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser een ernstige bedreiging vormt en dat de intrekking en het inreisverbod gerechtvaardigd zijn. Hoewel verweerder ten onrechte artikel 8 EVRM Pro niet heeft getoetst bij de intrekking, werd dit gebrek gepasseerd omdat artikel 8 wel Pro is betrokken bij het inreisverbod en eiser daardoor niet in zijn belangen is geschaad.
De rechtbank concludeerde dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het privé- en gezinsleven van eiser, ook gezien de aard van het delict en de beperkte gezinsbanden. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wordt ongegrond verklaard.