ECLI:NL:RBDHA:2020:14326
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken rechtens te beschermen belang bij asielaanvraag
Eiser, een Oekraïense nationaliteit dragende vreemdeling, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting was eiser niet aanwezig maar werd vertegenwoordigd door een waarnemer van zijn gemachtigde.
De rechtbank stelde ambtshalve de vraag of eiser nog een rechtens te beschermen belang had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Uit berichten van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) bleek dat eiser op 11 augustus 2020 met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde wist niet zeker of eiser nog in Nederland verbleef of waar hij zich bevond.
De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd bepaald dat een vreemdeling die zonder mededeling vertrekt, geacht wordt geen prijs meer te stellen op bescherming. Omdat eiser niet op de zitting verscheen en zijn gemachtigde geen contact kon bevestigen, concludeerde de rechtbank dat eiser geen belang meer had bij de beoordeling van zijn beroep.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Ramsaroep en griffier E. Kersten, en vanwege coronamaatregelen niet openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een rechtens te beschermen belang.