ECLI:NL:RBDHA:2020:13882
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van maatregel bewaring en weigering lichter middel bij vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hem in bewaring te stellen op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd vanwege het risico dat de vreemdeling zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.
De rechtbank constateerde dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en zich enige tijd aan toezicht had onttrokken. Deze zware gronden waren voldoende voor het opleggen van bewaring. Verder oordeelde de rechtbank dat het ontbreken van een laissez-passer en het lopende traject voor het verkrijgen daarvan het zicht op uitzetting niet uitsluit.
De rechtbank vond dat de Staatssecretaris terecht geen lichter middel had toegepast, mede vanwege eerdere onbekende vertrekbestemming van de vreemdeling en diens verklaring niet terug te willen keren. Er waren geen bijzondere omstandigheden die bewaring onevenredig bezwarend maakten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.