De rechtbank Den Haag behandelde op 6 februari 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van een vrouw geboren in 1939. De betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, met onderliggende geheugen- en cognitieve problemen die nader onderzoek en zorg vereisen.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de betrokkene niet in staat is voor zichzelf te zorgen, vastgelopen is in haar thuissituatie en dat vrijwillige zorg niet mogelijk is. De psychose is onder controle, maar er is een risico op terugval bij ontslag vanwege medicatieweigering. De voorgestelde verplichte zorg omvat medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperking, toezicht en opname in een accommodatie.
De rechtbank concludeerde dat de criteria voor verplichte zorg zijn vervuld, dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat de zorg evenredig en effectief is. De machtiging wordt verleend voor de duur van zes maanden, met het uitgangspunt dat terugkeer naar huis met goede zorg zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd.