ECLI:NL:RBDHA:2020:12868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2020
Publicatiedatum
16 december 2020
Zaaknummer
AWB 20/4240
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering machtiging tot voorlopig verblijf op basis van middelenvereiste en artikel 8 EVRM

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 26 november 2020 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door mr. E. van Hoof. De eiser, geboren in 2002 en van Surinaamse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen de weigering van de staatssecretaris om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen. Deze weigering was gebaseerd op het niet voldoen aan het middelenvereiste, zoals vastgelegd in de Vreemdelingenwet en de Vreemdelingencirculaire. De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder van de eiser, die in Nederland verblijft, niet voldoet aan het middelenvereiste, omdat zij een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet. De rechtbank heeft de argumenten van de eiser, die stelde dat zijn moeder arbeidsongeschikt is en daarom vrijgesteld zou moeten worden van het middelenvereiste, niet overtuigend geacht. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van de eiser. De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar uitgesproken en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om binnen vier weken hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/4240

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 november 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam] , referente, tevens moeder van eiser.
Ter zitting is aan verweerder een termijn van één week verleend om te reageren op de ter zitting aan hem ter beschikking gestelde medische stukken van referente.
Op 9 november 2020 heeft verweerder bij brief een reactie op de medische stukken ingebracht.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2002 en de Surinaamse nationaliteit te bezitten. Referente is de moeder van eiser. Zij verblijft, naar eigen zeggen, sinds 2005 in Nederland en is sinds 2015 in het bezit van een verblijfsvergunning. Referente heeft ten behoeve van het verblijf van eiser in Nederland op 6 mei 2019 een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ aangevraagd. Bij besluit van 10 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste op grond van het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf B7/2.1.1 van de Vc [1] . Er is geen sprake van zodanige uitzonderlijke omstandigheden dat referente alsnog van het middelenvereiste moet worden vrijgesteld. Verweerder neemt gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM [2] aan tussen eiser en referente, maar laat het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder wegen dan het persoonlijke belang van eiser. De weigering om aan eiser een mvv te verlenen is daarom niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
3. Eiser voert daartegen aan dat verweerder referente ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het middelenvereiste. Referente is volledig dan wel structureel arbeidsongeschikt. Referente is door de gemeente Rotterdam gedurende twee jaar ontheven van de arbeidsverplichting en is tot op heden niet benaderd door de gemeente voor het verrichten van re-integratiewerkzaamheden. De gemeente Rotterdam heeft tijdens een telefoongesprek met verweerder aangeven dat referente opgeroepen zal worden voor een herbeoordelingsgesprek inzake de ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Verweerder is ten onrechte uitsluitend op de telefonische mededeling van de gemeente Rotterdam afgegaan. Dat verweerder zijn beleid in dit geval heeft toegepast is onredelijk, omdat referente nooit aan de vereisten voor vrijstelling kan voldoen. Verweerder heeft ten onrechte geen gebruik gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid ingevolge artikel 4:84 van de Awb [3] . Toepassing van het beleid betekent een schending van artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest [4] . Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat het gezinsleven op de huidige wijze kan worden voortgezet, gelet op het trauma van eiser en de omstandigheid dat eiser geen sociaal netwerk heeft in Suriname. Eiser kan zijn trauma niet met stukken onderbouwen, nu hij onvoldoende middelen heeft om een verklaring te verkrijgen van een arts. Er is sprake van
more than the normal emotional tiestussen eiser en referente. Eiser is exclusief afhankelijk van referente, zowel financieel als mentaal. Van referente kan bovendien niet worden verlangd dat zij bij eiser in Suriname gaat wonen, omdat zij twee kinderen in Nederland heeft en het gezin hier begeleiding krijgt die niet kan worden voortgezet in Suriname.
De rechtbank overweegt als volgt.
Middelenvereiste
4. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste, nu zij een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. In geschil is of referente in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste.
5. Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van het Vb [5] wordt de verblijfsvergunning verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. In afwijking van het eerste lid van artikel 3.22 van het Vb wordt op grond van het tweede lid van dit artikel de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien de hoofdpersoon, voor zover hier van belang, naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
6. Op grond van paragraaf B7/2.1.1 van de Vc wijst verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt als de referent naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is of als de referent blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. Verweerder neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van het Vb aan als de referent geen sociale verzekeringsuitkering ontvangt en als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: (a) de referent is ten minste twee jaar volledig arbeidsongeschikt, (b) (gedeeltelijk) herstel van de referent is voor ten minste nog een jaar redelijkerwijs uitgesloten en (c) niet al op voorhand is geheel of gedeeltelijk herstel van de referent na dit jaar te verwachten. Dit moet worden onderbouwd met een verklaring van een bedrijfsarts of verzekeringsarts, zo volgt uit paragraaf B7/5 van de Vc. Verweerder neemt aan dat de referent blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen wanneer de referent gedurende vijf jaar volledig is ontheven van de verplichting tot arbeidsinschakeling op grond van artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet en een gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van de referent niet binnen één jaar is te voorzien.
7. Verweerder heeft terecht overwogen dat referente niet voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in paragraaf B7/2.1.1 van de Vc. De door referente in de besluitvormingsfase overgelegde documenten zijn niet opgesteld door een bedrijfs- of verzekeringsarts. De inhoud van deze documenten ziet daarnaast ook niet op arbeidsongeschiktheid. In beroep heeft referente een document van Xpert Clinic en een rapportage over haar fysieke klachten door Kalder Werkt overgelegd. In het rapport van Kalder Werkt is het vakje “tijdelijk geen benutbare mogelijkheden, langdurige (> 6 maanden, <2 jaar) fysieke beperkingen” aangekruist. De vakjes “volledig ongeschikt voor werk vanwege fysieke beperkingen” en “volledig ongeschikt voor participatie vanwege fysieke beperkingen” zijn niet aangekruist. Het document van Xpert Clinic ziet niet op arbeidsongeschiktheid, maar bevat informatie over de fysieke klachten van referente. Anders dan referente betoogt, volgt uit deze stukken dan ook niet dat referente volledig en blijvend arbeidsongeschikt is.
8. Verweerder heeft daarnaast terecht overwogen dat niet is gebleken dat referente blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen. Bij de aanvraag zijn twee besluiten van de gemeente Rotterdam overgelegd waaruit blijkt dat referente tweemaal voor een periode van een jaar tijdelijk is ontheven van de arbeidsverplichtingen. Van een vijfjarige volledige ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, zoals hiervoor bedoeld, is dan ook niet gebleken. Dat referente nog niet is opgeroepen voor een herbeoordelingsgesprek, maakt dit niet anders.
9. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2018 [6] volgt dat het door verweerder gevoerde beleid zoals neergelegd in paragraaf B7/2.1.1 van de Vc niet onredelijk is. Verweerder is gehouden te handelen overeenkomstig zijn eigen beleid, tenzij dat op grond van artikel 4:84 van de Awb wegens bijzondere omstandigheden gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om wegens de persoonlijke en medische omstandigheden van referente op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid. Niet is gebleken dat referente nooit aan de gestelde vereisten voor vrijstelling van het middelenvereiste kan voldoen.
Artikel 8 van het EVRM
10.Niet in geschil is dat tussen eiser en referente familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. Verweerder dient, zo volgt uit de jurisprudentie van het EHRM [7] en de Afdeling [8] , een belangenafweging te maken waarbij een
fair balancemoet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en zijn gezin enerzijds en het Nederlands algemeen belang bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Indien het gaat om een eerste toelating, zoals hier het geval, is alleen in uitzonderlijke omstandigheden sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM als verblijf wordt geweigerd. Bij de belangenafweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe, zodat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend moet zijn.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle van betekenis zijnde feiten en omstandigheden heeft meegewogen in de belangenafweging en deze in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat referente al 15 jaar in Nederland verblijft zonder eiser en dat niet is onderbouwd dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referente gedurende die periode in stand is gebleven. Niet is onderbouwd dat eiser en referente gedurende de afgelopen 15 jaar contact hebben onderhouden en dat referente eiser al deze tijd financieel heeft ondersteund. De twee overgelegde afschrijvingen en een uitdraai van één WhatsApp-gesprek heeft verweerder daartoe onvoldoende kunnen vinden. Verweerder heeft ook mogen overwegen dat het gezinsleven tussen eiser en referente op de huidige wijze kan worden voortgezet, nu niet is gebleken dat eiser geen sociaal vangnet heeft in Suriname of dat hij niet in staat kan worden geacht voor zichzelf te zorgen met enige hulp van buitenaf. Verder heeft verweerder aan de belangenafweging ten grondslag kunnen leggen dat niet is onderbouwd dat eiser momenteel zich in Suriname in een woon- en leefsituatie bevindt die niet langer houdbaar is. Dat eiser niet aan stukken over zijn situatie kan komen, is niet gebleken. Verweerder heeft ook ten nadele van eiser kunnen meewegen dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste. Tot slot heeft verweerder niet ten onrechte kunnen overwegen dat voor referente geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven met eiser in Suriname uit te oefenen. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat niet is onderbouwd dat referente de zorg heeft voor haar twee kinderen die in Nederland zijn geboren en geworteld. Daarnaast is niet gebleken dat de behandeling van de trauma’s van eiser niet voorhanden is in Suriname. Verweerder heeft daarom in redelijkheid aan het algemeen belang van de Nederlandse staat meer gewicht kunnen toekennen dan aan het individuele belang van eiser.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
13. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2020.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Vreemdelingencirculaire 2000
2.Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden
3.Algemene wet bestuursrecht
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
5.Vreemdelingenbesluit 2000
6.Afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2018:1648
7.Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder meer het arrest Rodriguez da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, ECLI:NL:XX:2006:AV3568
8.Onder meer uit de uitspraak van 30 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9912