ECLI:NL:RBDHA:2020:12556
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergrijpboete en aanslag inkomstenbelasting 2015 na niet-doen aangifte
Eiser heeft voor het jaar 2015 geen tijdige aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) gedaan, ondanks herinneringen en aanmaningen van de Belastingdienst. De inspecteur heeft daarop een aanslag opgelegd op basis van een redelijke schatting van het belastbaar inkomen en een vergrijpboete van 150% van de verschuldigde belasting.
Eiser betwist de aanslag en stelt onder meer dat hij niet is gehoord in de bezwaarfase en dat de aanslag te hoog en willekeurig is vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat eiser niet om een hoorzitting heeft verzocht en dat de Belastingdienst de hoorplicht niet heeft geschonden. Ook is de omkering en verzwaring van de bewijslast terecht toegepast omdat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur een redelijke schatting heeft gemaakt op basis van loongegevens, onroerende zaken en bank- en effectenrekeningen. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat deze gegevens onjuist zijn of aan anderen toebehoren. De vergrijpboete is terecht opgelegd omdat eiser bewust de aangifteplicht heeft verzaakt en de boete is passend en geboden.
Hoewel sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, is deze toe te rekenen aan eiser zelf door meerdere uitstelverzoeken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aanslag, rente en boete worden gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2015 met vergrijpboete wordt gehandhaafd.