ECLI:NL:RBDHA:2020:12279
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs in gewelds- en bedreigingszaken
De rechtbank Den Haag behandelde twee zaken tegen verdachte, waarin hij werd beschuldigd van openlijke geweldpleging en bedreiging op 5 december 2019 te Gouda, en poging tot doodslag dan wel poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en bedreiging op 24 april 2020.
De rechtbank nam kennis van de verklaringen van slachtoffers en getuigen, maar constateerde grote discrepanties tussen hun verklaringen en het ontbreken van aanvullende verklaringen door weigering van de slachtoffers. De verklaringen van verdachte en zijn stiefdochter waren consistent en gaven een andere lezing van de gebeurtenissen, waardoor de rechtbank twijfels had over de betrouwbaarheid van de aanklachten.
Ook voor de feiten van 24 april 2020 vond de rechtbank onvoldoende bewijs dat verdachte betrokken was bij het incident met de lachgastank en bedreiging. De verklaringen van betrokkenen waren tegenstrijdig en er was geen ondersteunend bewijs dat verdachte op de plaats delict aanwezig was.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor alle ten laste gelegde feiten.